Watersnood 1825

Geschreven in het Nederlands anno 1825.

Ook de provincie Antwerpen ondervond de noodlottige gevolgen van de stormvloeden op 3, 4 en 5 februari 1825. Reeds spoedig ontving Z. Exc. de gouverneur van deze provincie tijding van de plaats hebbende dijkbreuken, en snelde naar de plaats van de ramp, om de nodige voorzieningen te gelasten.

Polders van Hingene

De 4 februarij tegen den avond deed er zich bij het gehucht Wintham, gemeente Hingene, aan den dijk tegen de Rupel niet ver van het punt, waar zij zich in de Schelde ontlast, eene zuiging aan den voet van eenen opgaanden boom op de binnenglooijing des dijks geplant, bespeuren, welke bij voortgang dreigde eene overstrooming te zullen veroorzaken. Op het geluid der klokken begaven de inwoners zich naar de plaats des gevaars, en spanden gedurende 24 uren alle hunne krachten in, om den dijk te versterken en voor eene doorbraak te beveiligen. Door hunne pogingen werd dan ook ’t gat gestopt en de dijk wederstond den volgenden hoogen vloed in den vroegen morgen van den 5 den; maar denzelfden dag des avond te 4 uren werd hunne hoop verijdeld, en er ontstond bij den vierden achtervolgenden buitengewoon hoogen vloed vergezeld van eenen hevigen wind, eene doorbraak, tussen het gehucht Wintham en de Eikevliet, op dezelfde plaats, die men met zoo veel ijver had hersteld. De oorzaak der breuk wordt toegeschreven, in de eerste plaats, aan de buitengewone kracht van het water en vervolgens aan de ligte soort van aarde, waaruit de dijken te dier plaatse zijn samengesteld waarbij men nog kan voegen, dat door de wroeting van de mollen, ratten en ander dergelijk ongedierte, zeer ligt kleine gaten worden veroorzaakt, waarin het water zijne eerste speling neemt en op die wijze ook zeer gemakkelijk een grooter gat vormt, hetgeen tot doorbraak overgaat. Die doorbraak vormde dadelijk een grondgat ter lengte van 80 ellen en eene middelbare diepte van 8 ellen onder het laag water; terwijl eene plaats 9 el 50 duim diepte aanwees en verscheidene andere punten 8 el 50 duim. Met 135 huizen in de gemeente Hingene en onderhoorende gehuchten werden daardoor onder water gezet; daarenboven drong het water bij iederen hoogen vloed nog in 165 huizen, hetgeen echter bij het laag tij weder afliep. De gemeente Hingene had 542 bunders overstroomde landerijen. Voor zooveel men in het begin het getal der ten eenemale vernielde huizen kende, bedroeg in de gemeente Hingene alleen 25, terwijl men eerst met zekerheid zulks kon opgeven, toen men van al het water ontlast was. Het getal der huisgezinnen, die hunne woningen moesten verlaten, bedroeg in de gemeente Hingene 125. Deze allen zijn voornamelijk in de droog gebleven gedeelten der gemeente en ook in de omliggende dorpen geherbergd, sommige bij hunne naastbestaanden, andere zonder betaling bij vreemden, als zijnde in deze gelegenheid door de bewoners van die gemeenten eene groote herbergzaamheid aan den dag gelegd. De familiën, die door de ramp getroffen en hunne gedeeltelijk onder water staande woningen of bij andere huisvesten, welke niet in de oogenblikkelijke behoeften konden voorzien en dus daarin ondersteund werden door de zorg eener plaatselijke commissie, beliepen volgens de ontvangene opgaven te Hingene 166, uitmakende 754 personen. Eenige andere familiën hadden zich nog zelve kunnen verzorgen uit hetgeen zij van hunne voorraad hadden gered, of ook door de weldadigheid van hunne bloedverwanten of vrienden. Eene vrouw heeft te Hingene het leven verloren; dan slecht een gericht getal beesten kwam bij deze ramp om het leven, namelijk te Hingene 6 koeijen, 7 vaarzen en 6 varkens. De schade, door dit alles veroorzaakt, kon niet wel worden opgegeven; dewijl men eerst na de ontlasting van het water kon zien, in welken staat de woningen en de daarin achter gelatene goederen zich bevonden, waarnaar de juiste verliezen moesten berekend worden. Evenwel bleek het uit eene voorlopig gedane opgaaf, dat men dezelve in het ruwe schatte op 166883,50 gulden, buiten de schade, aan de gegoede ingezetenen veroorzaakt. Men wist ook niet juist, welken invloed dit onheil op de voortbrengselen van den landbouw in ’t vervolg zoude hebben. Het was echter zeer waarschijnlijk, dat vele landerijenn zouden verzand zijn, maar het was daarentegen, volgens de berigten, ook zeer mogelijk, dat de overstrooming aan de weiden, op zekeren afstand van de doorbraak gelegen, geen kwaad zal gedaan hebben.

(Bron: Gedenkboek van Neerlands watersnooddoor J.C. Beijer – 1825)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s